810 gram: hoe MiniMensje begon
Delen
Dit verhaal vertelde ik ook in de allereerste aflevering van onze podcast. Liever luisteren? Luister hier naar aflevering 1.
Dit had een mooi verhaal moeten worden. Een zwangerschap waar ik mijn hele leven naar had verlangd. Waarin alles vanzelf ging. Waarin ik gelukkig was.
Dat werd het niet.
MiniMensje begint niet met een idee, maar met ons verhaal. Dat van Tim, mij en onze dochter Noé. Ze werd geboren bij 31 weken en woog 810 gram.
Eén seconde puur geluk
Kinderen. Daar droomde ik al mijn hele leven van. Een huis met een tuin, kleine stemmetjes die “mama!” roepen. Ik in de keuken, urenlang koken, tot ze met honger naar binnen komen rennen.
In de zomer van 2024 waren Tim en ik net een half jaar samen. Op vakantie in Turkije voelde ik me de hele tijd opgeblazen en moe. Na twee cocktails moest ik steeds naar de wc. De hormonen, dacht ik. Of te veel toetjes.
Begin september stonden we op de kermis in Limmen. Alles draaide. “Ik voel me raar,” zei ik tegen Tim. En ineens wist ik het: ik moet een test doen.
Ik hoefde niet eens te wachten. De strepen verschenen meteen.
Ik begon te huilen. Van blijdschap. Van ongeloof. Dat ene moment, daar op dat toilet, vergeet ik nooit. Misschien was het wel de enige seconde in mijn zwangerschap waarin ik puur gelukkig was.
Want bijna meteen kwam de angst.
Zwangerschap
We waren nog maar net samen, en dat maakte het begin zwaar. Voor ons allebei. We hebben veel gepraat en veel gehuild. En uiteindelijk zijn we er samen voor honderd procent voor gegaan.
Bij de eerste afspraak met de verloskundige stak ik mijn arm uit voor de bloeddrukmeter. 160 over 110. Diezelfde middag zat ik in het ziekenhuis. Ik was ineens “medisch”.
Ik kreeg een tas vol medicijnen mee. Voor een ervan bleek ik allergisch. Mijn huid was kapot, rood en branderig, alsof ik verbrand was. Ik was misselijk, at bijna niets en werkte gewoon door.
“Wil je nog de NIPT-test doen?” had de verloskundige gevraagd. “Komt zelden iets uit.”
Een paar weken later zat ik op kantoor toen mijn telefoon ging. Ik liep een belhokje in.
“Goedemiddag, u spreekt met de afdeling genetica van het AMC.”
Ze vonden trisomie 22. Een extra chromosoom. Het kon in de baby zitten, of alleen in de placenta. We moesten de volgende dag meteen langskomen. De arts liet grafieken zien en noemde scenario’s die ik nooit meer vergeet. Ik hield me vast aan de tafel.
In de auto naar huis zat ik op Google. Ik móést een positief verhaal vinden. Maar alles wat ik las, eindigde verkeerd.
“Maar ik kan toch hopen?”
Er volgde een vruchtwaterpunctie. En wachten. En echo’s, heel veel echo’s. Dit was geen “even naar de baby kijken”. Bij elke echo hoop je dat het hartje nog klopt.
Op 3 december, een datum die ik nooit vergeet, lag ik weer op de bank bij de echo. De arts bleef kijken. Lang. Te lang. Het hoofdje groeide goed, de rest niet. Onze baby woog 195 gram. De groei stond bijna stil.
En bijna tussendoor zei hij: “De test laat zien dat het een meisje is.” Wekenlang hadden we gedacht dat we een jongen kregen.
Ik keek hem aan. “Maar ik kan toch hopen?”
“Nou…” Meer zei hij niet. Zijn gezicht zei genoeg.
Beneden zaten mijn ouders te wachten. Ik viel in de armen van mijn moeder. “Mama, ik kan haar toch niet verliezen…”
Een week later belde het AMC. De trisomie zat niet in onze dochter, alleen in de placenta. Het had goed nieuws moeten zijn. Maar het voelde klein. Want ze groeide nog steeds niet.
December was donker. Ik meldde me ziek. Ik zocht dingen op die geen moeder zou moeten opzoeken. Begrafenissen. Babykistjes. Een klein roze rieten mandje bleef hangen. Zo klein. Zo oneerlijk.
Ik had het moeten regelen, maar ik kon het niet. Ik wílde het niet. In mijn hoofd stond één ding vast: zij gaat het halen.
Op het kerstfeest van ons werk noemde onze collega Rick ineens een naam. Noé. En ik wist het meteen. Dit was haar naam. Ik was zo blij dat we een naam hadden, ook al kon het misschien niet goed aflopen.
24 weken, 500 gram
Ons enige doel was nog: 24 weken halen, 500 gram halen. In januari was ze gegroeid naar 381 gram. Een sprankje hoop.
Op 20 januari, bij 25 weken, zaten we weer tegenover de arts. “Ik denk dat het de komende twee weken kan gaan stormen,” zei hij. Daarna volgde een gesprek in een kamertje zo groot als een bezemhok. Wil je actieve zorg? Wil je alles doen?
Ik hoefde er niet over na te denken. “Ik wil alles doen. Neem mij maar op.”
Alleen was er in het AMC geen plek. Om tien uur ’s avonds stond ik buiten, in het donker, met mijn roze trolley. Er was geen ambulance. Een taxi bracht me naar Nijmegen. Alleen. Rond middernacht stond ik daar: 25 weken zwanger, in een leeg ziekenhuis aan de andere kant van het land.
Vier dagen later bracht een ambulance me terug naar Amsterdam.
In totaal heb ik zo’n zes weken in het ziekenhuis gelegen. Elke dag CTG’s, bloedprikken en gesprekken met artsen. Kijken naar dansende lijntjes en je adem inhouden bij elk dipje. Wie denkt dat je daar lekker series ligt te kijken: nee. Zo werkt het niet.
Het moeilijkst vond ik misschien wel de goedbedoelde appjes. “Komt goed, echt.” Hoe kun je dat weten? De berichten die écht hielpen, beloofden niets. “Ik weet niet wat ik moet zeggen, maar ik denk aan je.” Geen zekerheid. Alleen er zijn.
Tim kwam zo vaak als hij kon. Op een dag nam hij een teddybeer mee, met zijn parfum erop. Misschien klinkt het zoetsappig. Maar ik vond het fijn om hem naast me te leggen. Ik haat alleen slapen.
Al die weken deelde ik een kamer met wildvreemde zwangere vrouwen. Tot er een andere moeder op mijn kamer kwam die ook lang moest blijven: Kris. Zij is nu nog steeds een goede vriendin.
Een woensdag, rond lunchtijd
Bij 32 weken zouden ze haar sowieso halen. Maar op een woensdag, rond lunchtijd, zagen ze dipjes op de CTG. “We gaan haar halen. Bel je vriend maar.”
Ik raakte in paniek. Ze was nog zo klein. En zou Tim op tijd zijn? Hij kwam binnen precies op het moment dat ik naar de OK werd gereden.
Ik lag achter het doek en hoorde een kindje huilen. Ik keek naar Tim. Huilt zij nou?
Noé. 810 gram. Ongeveer zo zwaar als een boerencake. En vanaf die allereerste seconde liet ze zien wie ze is.
NICU
Op de NICU ging het uiteindelijk best goed. Al was er één moment waarop ze stopte met ademen. Die paniek vergeet ik nooit. Het is een heel intense tijd die je meemaakt. Het is niet even naar een kindje in de couveuse kijken. Ik denk dat veel mensen geen idee hebben hoe zo'n dag eruitziet. Na tien weken mochten we met haar naar huis.
Wat veel mensen niet weten: thuiskomen is niet het einde van het verhaal. Een kindje dat te vroeg geboren is, mist de laatste weken in de buik en is kwetsbaarder. En jij als ouder moet nog alles verwerken wat er is gebeurd. Die klap komt soms pas thuis.
Waarom MiniMensje bestaat
Na de keizersnede had ik zoveel pijn dat ik Noé niet echt bij me kon houden. Dat eerste moment heb ik eigenlijk gemist. Je wordt in die tijd zo geleefd.
Later wilde ik weten hoe het voelde. Hoe weinig 810 gram nou echt is in je armen. Dus maakte ik een pop van precies dat gewicht.
Daaruit is MiniMensje ontstaan: knuffelpoppen op het exacte geboortegewicht van jouw kindje. Inmiddels maken we ze ook voor voldragen baby’s. Want ook daar zit zoveel liefde en emotie in.
Jullie zijn niet alleen
Toen ik zwanger was, zocht ik wanhopig naar één verhaal dat goed afliep. Ik vond het niet. Ik voelde me zo ontzettend eenzaam.
Daarom delen we, met deze blog en onze podcast, de verhalen van andere ouders. Van moeders en vaders, van premature, dysmature, voldragen maar ook sterrenkindjes. Zodat jij je herkent. En je misschien wat minder alleen voelt.
Wil jij jouw verhaal vertellen? Deel het hier met ons, of stuur ons een berichtje op Instagram via @minimensje.shop.
En aan alle ouders: jullie doen het super goed.
Liefs,
Romy